Terra Preta Archeologisch Onderzoeksproject naar Ecologische Landbouw

Terras Pretas (“zwarte gronden”) zijn door de oorspronkelijke bewoners gemaakte landbouwgronden die het duurzaam verbouwen van gewassen mogelijk maken. Dit gebeurt door toevoeging van houtskool en kalk aan de zeer voedselarme en te zure bodem. Het resultaat is een sterke verbetering van de bodemstructuur, vasthouden van o.a. stikstof, verbetering van de waterhuishouding en gunstige leefomgeving voor micro-organismen.

Gedurende zijn reizen heeft Marc van Roosmalen verschillende Terra Preta gronden gevonden en onderzocht op grondmonsters en archeologische vondsten. Een systematisch onderzoek is echter nog nooit uitgevoerd. Met behulp van satellietfoto’s zijn hergebruikte en nog niet geopende Terra Preta landbouwgronden aan te wijzen/identificeren, alvorens Marc er naartoe kan reizen om veldonderzoek te doen.

Waarom is het belangrijk om de Terra Preta te bestuderen? Groot voordeel van dit duurzame systeem tegenover het slash-and-burn systeem is dat er niet telkens een nieuw stuk primair hoogbos ontgonnen hoeft te worden. Verdere studie in het veld over de ontstaansgeschiedenis van Terra Preta en onderzoek naar het vervaardigen van deze grond kan zorgen voor de ontwikkeling van meer duurzame landbouwsystemen. Niet alleen in het Amazonegebied, maar wereldwijd. Voor dit onderzoek is een kleine boot nodig en een budget om verschillende zijrivieren van de Amazone op te kunnen varen. Een voorlopig minimum budget is gesteld op 4000 EURO voor aanschaf van een vaartuig, het verzamelen van grondmonsters, koolstofdatering en pollenanalyse.

                                          

Historisch overzicht van Terra Preta vorming:

Rond 500 jaar voor het begin van de jaartelling moet de hele stroomvlakte van de Amazone Rivier dicht bevolkt geweest zijn met standplaatsgetrouwe Indianen, die in de droge tijd akkerbouw pleegden op de vruchtbare slibstranden langs de modderige várzeas, terwijl ze zich tijdens het vloedseizoen  terugtrokken op hoger gelegen, nooit of zelden overstromend terrein - zoals kliffen en terpen (bluffs) - plaatsen die vaak op grote afstand van de hoofdstroom van de rivier gelegen zijn. Marc vermoedt dat op een van deze terpen ergens langs de middenloop van de Amazone – waarschijnlijk in de buurt van Anori (een plaatsje op de noordoever van de rivier de Solimões, waar hijzelf de diepste en oudste terras pretas aangetroffen heeft) – mensen een arbeidsintensief proces ontdekt en ontwikkeld hebben om grote hoeveelheden humus te produceren. Eenmaal zover,  begonnen ze vervolgens de extreem arme terra firme bodems op de terpen te bedekken met door hen aangemaakte zwarte humusaarde. Dat stelde hen in staat ook tijdens het vloedseizoen op hun hoger gelegen akkers te verbouwen. Hier zal Marc zijn hypothese poneren hoe hij denkt dat deze mensen die terra preta produceerden - een uitvinding die beschouwd mag worden als een van de wonderen van de mensheid. Zeker als men bedenkt dat de makers van terra preta alleen maar over stenen en houten werktuigen beschikten. Eerst verzamelden zij, met de blote handen, grote hoeveelheden houtskool door stukken met zwartwater overstroomde vloedbossen (igapós) in brand te steken. In tegenstelling tot het eigenlijke regenwoud dat daar het hele jaar door te vochtig voor is, is dat wel mogelijk met vloedbos als dat gedaan wordt in de piek van de droge tijd. Dan voegden ze de houtskool toe aan grote hoeveelheden grond afkomstig van de terpen of zand en slib aangedragen uit de stroomvlakte. Om deze zo aangemaakte grond, die te zuur was om hun voedselplanten op te verbouwen, te neutraliseren, voegden ze grote hoeveelheden kalk toe. Dat verkregen ze door de schilden van zoetwaterschildpadden en/of visgraten en/of kleppen van schelpdieren te verpulveren. Toen ze eenmaal in staat waren terra preta akkers aan te leggen, konden deze landbouwers zich loskoppelen van de vruchtbare, maar voor landbouw alleen seizoensmatig toegankelijke stroomvlakten. Van hun plek verdreven onder druk van overbevolking en stammenoorlogen, waagden zich steeds meer indianen de binnenlanden in, tot ver weg van de grote witwater rivieren. Daar vestigden zij zich in eerder, althans voor slash-and-burn boeren, ongeschikte streken, zoals langs zwartwater- en helderwater-rivieren en meren. Deze landverhuizing van terra preta boeren vond over heel het Amazonebekken plaats tot haar meest zuidelijke en zuidoostelijke uithoeken toe, zoals het gebied langs de bovenloop van de Rio Xingú in Mato Grosso. Marc’s verblijf bij de Kamayurá en langs de Rio VondenSteinen, op de overgang van tropische regenwouden naar open cerrado of struiksavanne, leverde antwoorden op over kwesties, die te maken hebben met dit nooit tevoren vertelde verhaal. Vanaf ongeveer 800 jaar na Christus - eerst langs de hoofdstroom van de eigenlijke Amazone Rivier en wat recenter zo ver als de bovenlopen van helderwater rivieren als de Xingú, Tapajós en Aripuanã - drongen van de Caribische eilanden afkomstige strijdlustige indianenvolken, gewapend met bordunas (van hardhout gemaakte oorlogsknuppels) vanuit het noorden komend het centrale Amazonegebied binnen, in elkaar opvolgende golven. In het verre noorden hadden ze de oorspronkelijk op de vruchtbare kustvlakten van Venezuela en de Guyana’s levende indianen al uitgemoord of verdreven. In de hoedanigheid van landbouwers, maar tegelijkertijd ook krijgshaftige, oorlogszuchtige indianen, moeten deze Cariben gehoord hebben van vruchtbare maar ver naar het zuiden gelegen akkerland: het zwarte goud. In een proces van enkele honderden jaren hebben zij vervolgens de daar levende Indiaanse bevolking verdreven en bezit genomen van hun kostbare, met eigen handen aangelegde bouwland – de terras pretas. Er zijn schattingen gemaakt dat tegen de tijd dat de eerste Europeanen het Amazonegebied binnendrongen, de stroomvlakte en het achterland van de Amazone Rivier en haar voornaamste witwater zijrivieren heel dicht bevolkt was: met niet minder dan 6-15 miljoen landbouwbedrijvende bewoners (de nomadisch levende bosindianen niet meegerekend). De systematische verdrijving van de oorspronkelijke bewoners door indianen afkomstig uit het Caribische gebied is - zij het cryptisch - beschreven door priesters en monniken in de vroege jaren van de zestiende eeuw. In de beginjaren van de negentiende eeuw zijn ook illustere natuurvorsers als Spix en Martius (1820), Bates en Wallace (1849-1859) getuige geweest van dit proces. Volgend op de culturele en fysieke uitroeiing van de makers van terra preta hebben de daarna langs de Amazone levende indianen hele golven van fysieke en culturele genocide moeten doorstaan, dit keer gepleegd door Europese kolonisten. Op de dag van vandaag leven er slechts vijf miljoen mensen in het Braziliaanse Amazonegebied, waarvan drie miljoen in steden zoals Belém en Manaus. Er zijn nog maar 350.000 volbloed indianen over, die voor het grootste deel leven in de indianenreservaten – verdreven en vaak heel ver weg van de vruchtbare stroomvlakte van de Amazone. De meeste indianenstammen zijn gedecimeerd of stierven uit tijdens de drie achtereenvolgende ‘rubberboom’ periodes - rond de eeuwwisseling, tijdens de Tweede Wereldoorlog en in de zestiger en zeventiger jaren van de vorige eeuw. De laatste vond plaats toen het Braziliaanse leger onder leiding van maarschalk Rondôn het Amazonegebied vanaf het zuiden openlegde.